Werkelijk versus forfaitair rendement: het verschil in euro's
Twee beleggers, allebei € 60.000 in dezelfde wereldwijde ETF. De één stapte in vlak voor een sterk beursjaar, de ander vlak voor een correctie. De Belastingdienst belast ze in box 3 exact hetzelfde. Dat is het forfaitaire stelsel in één zin: er wordt gerekend met een aangenomen rendement, niet met wat jij daadwerkelijk verdiende.
Sinds de tegenbewijsregeling kun je in de aangifte kiezen voor je werkelijke rendement als dat lager uitpakt. Daarmee is het verschil tussen die twee getallen ineens geld waard. Dit artikel zet ze naast elkaar.
Waar het forfait vandaan komt
Het forfait is geen pesterij maar een versimpeling. Tot 2017 rekende de fiscus met een vast rendement van 4% over al je vermogen. Daarna kwamen er aparte percentages per vermogenssoort, gebaseerd op langjarige gemiddelden. Voor 2026 staat het forfait op beleggingen op 6%, op spaargeld op 1,28%.
Over een lange periode gemeten zijn die aannames niet eens gek. Het probleem zit in de afzonderlijke jaren. Een gemiddelde van 6% bestaat uit jaren met plus vijftien en jaren met min tien, en belasting betaal je per jaar. De Hoge Raad vond dat in het kerstarrest van 2021 al niet uit te leggen, en oordeelde in juni 2024 nog eens dat wie aantoonbaar minder rendement had, over dat mindere belast moet worden. Vandaar de tegenbewijsregeling, en vandaar dat er aan een volledig nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement wordt gewerkt.
Drie scenario's, zelfde portefeuille
Steeds dezelfde uitgangspositie op 1 januari 2026: € 40.000 spaargeld tegen 1% rente, € 60.000 in ETF's, geen partner. Het forfaitaire rendement is in alle drie de gevallen € 4.112, want dat kijkt niet naar de werkelijkheid.
Scenario 1: goed beursjaar, plus 12%. Werkelijk rendement: € 400 rente plus € 7.200 koerswinst plus € 900 dividend is € 8.500. Ruim boven het forfait. De tegenbewijsregeling levert niets op en de fiscus rekent met € 4.112. Hier subsidieert het forfait jou.
Scenario 2: mager jaar, plus 2%.Werkelijk rendement: € 400 plus € 1.200 plus € 900 is € 2.500. Dat is € 1.612 onder het forfait. Via de tegenbewijsregeling betaal je over het lagere bedrag; dat scheelt in deze orde van grootte enkele honderden euro's.
Scenario 3: verliesjaar, min 8%. De portefeuille daalt € 4.800. Zelfs met rente en dividend erbij is je werkelijke rendement negatief: ongeveer min € 3.500. Het forfait rekent intussen € 4.112 winst. Zonder tegenbewijs betaal je dus ruim € 600 belasting over een jaar waarin je vermogen kromp. Met tegenbewijs niet. Dit is het scenario waarvoor de regeling bestaat. Het verlies zelf ben je fiscaal wel kwijt: je mag het niet verrekenen met de winst van een volgend jaar.
Eén portefeuille, drie werkelijkheden, en alleen het jaartal bepaalt welke van de twee berekeningen jou het beste uitkomt. Daarom loont het om dit elk jaar opnieuw te bekijken.
Het addertje: alles telt mee
Werkelijk rendement klinkt als je verkoopwinst, maar de definitie is breder. Ongerealiseerde koersstijging telt mee, over je hele vermogen, niet alleen over de posities die je wilt meetellen. Wie in scenario 1 alleen zijn ene verliespositie zou opgeven en de rest verzwijgt, doet geen tegenbewijs maar belastingfraude. De vergelijking gaat altijd over het geheel.
Dat maakt de administratie het echte werk: beginstand, eindstand, stortingen, onttrekkingen, rente en dividend, per kalenderjaar. Precies de gegevens die in je transactiegeschiedenis zitten, als je die tenminste ergens bijhoudt.
Zelf vergelijken
Gainzkeeper berekent beide getallen naast elkaar uit je eigen DeGiro-gegevens: het forfait volgens de officiële rekenmethode en je werkelijke rendement per belastingjaar. Is het forfait gunstiger, dan zegt de app dat ook gewoon. De publieke calculator is gratis en werkt zonder account; de volledige rekenmethode staat hier uitgelegd.
Laatst gecontroleerd op 10 juli 2026. Percentages zijn de officiële cijfers voor belastingjaar 2026; de forfaits voor spaargeld en schulden zijn nog voorlopig.